Leesvoer voor lopers

Ik herinner het mij nog goed, het was ten tijde van de Olympische Spelen in Barcelona in 1992 dat ik dacht: tiens, lopen is misschien nog iets voor mij. Het klinkt wat onnozel, maar de beelden van dat sportfeest op tv, waren het duwtje dat ik nodig had om mijn loopschoenen aan te doen. Samen met Lies liep ik vanaf toen een keer of drie twintig minuutjes in de week en dat was genoeg om niet meer aan het staartje te bungelen tijdens de turnles.

Over de jaren heen ben ik blijven lopen. In het begin om een beetje conditie te kweken en om ervoor te zorgen dat mijn voorliefde voor chocomousse niet aan mijn derrière af te lezen zou vallen. Maar al snel heb ik ondervonden dat lopen bijdraagt tot innerlijke rust. Bij regenweer en kou vind ik het soms moeilijk om te vertrekken, maar ik keer altijd ontspannen en tevreden terug. Het helpt ook dat ik de lange lopen samen met Mieke kan afwerken en dat zij geen schrik heeft van een drupje regen (van een fikse stortvlaag evenmin trouwens).

Groot handboek lopen

Ondertussen heb ik mijn loopinspanning opgedreven naar 25 à 30 km in de week. Chrono’s zijn daarbij van ondergeschikt belang, maar aangezien ik tijdens een occasionele stadsloop niet wil afgaan, heb ik deze week toch eens in een loopboek gesnuffeld: het “Groot handboek lopen” van Herbert Steffny.

Het is een heel compleet werk, met veel loopschema’s, zowel voor beginners als voor gevorderden. Zo eentje om in je kast te hebben als naslagwerk. Volgens het handboek val ik in de categorie “fitnessloper” (het doel is “de weg” en niet de eindtijden). Wat ga ik er nu voor mezelf uit onthouden?

  1. Dat het voor fitnesslopers belangrijk is om het lijf te blijven prikkelen met versnellingen, variatie in intensiteit en duur van de trainingen, anders gaat het eerder achteruit dan vooruit.
  2. Dat het zelfs voor fitnesslopers interessant is om met een hartslagmeter te trainen om te weten of de inspanning te hoog, dan wel te laag is.
  3. Dat het belangrijk is om de spieren die tijdens het lopen zwaar belast worden (bv. de kuitspieren) te stretchen na het lopen, om ze terug soepel te maken.
  4. Dat je met lopen niet alle spieren in gelijke mate ontwikkelt en dus best nog wat gymnastiek beoefent om buik -en rugspieren te trainen, zodat het geheel in evenwicht blijft.

Lopen, al wat je wil, zelfs van een beetje intervaltraining ben ik niet vies. Maar een hartslagmeter vind ik al gauw te veel moeite. En stretchen doe ik zo af en toe, op een drafje, maar als ik turnoefeningen moet uitvoeren op mijn tapijt controleer ik toch eerst even of de buren niet meekijken… Het wordt dus een hele uitdaging om de adviezen uit het boek op te volgen.

Waarover ik praat als ik over hardlopen praat

Een heel ander boek over lopen, dat ik in 2011 las, is “Waarover ik praat als ik over hardlopen praatvan Haruki Murakami. Hier geen hardloopschema’s of technische uitleg. De schrijver legt er in uit, wat hem zo aanspreekt aan hardlopen.

Waar het in feite om gaat is dat een auteur (maar ook een loper) een rustige, stabiele motivatie vindt in zichzelf, en er niet naar dient te zoeken in uiterlijk vertoon of externe maatstaven.

Als je gewoon bent aan de romans van Murakami, dan zal je dit ongetwijfeld maar een kladwerkje vinden. Maar toch vond ik het interessant om eens te lezen waarom een andere loper geniet van hardlopen, hoe hij omgaat met fysieke pijn en hoe hij omgaat met ouder worden.

Mensen die weten te ontsnappen aan een jeugdige dood krijgen als speciale gunst het dankbare voorrecht om op een natuurlijke manier ouder te worden. Er wacht hun de eer van het lichamelijk verval. Aan dat feit kan ik maar beter berustend wennen.

Of hoe literatuur en lopen allebei helpen om de eerste rimpeltjes beter te verteren.