Verzamelde werken (5) – Anton Tsjechov

Tsjechov - verzameld werkEerlijk gezegd, ik dacht dat het niet meer goed zou komen tussen mij en de Russen. Tweeëntwintig was ik, toen ik mij voor het eerst waagde aan de Russische literatuur met De eeuwige echtgenoot van Fjodor Dostojewski. Ik vond er niets aan. Waarschijnlijk was ik te jong om dit boek te appreciëren, of wist ik te weinig over echtgenoten, laat staan over de eeuwigheid. Twee jaar geleden las ik Anna Karenina van Leo Tolstoj. Vier maanden heb ik er over gedaan. Ik was vastbesloten om het uit te lezen. Maar wat een geleuter over de jacht en over „het geloof” heb ik daarvoor moeten doorstaan…

Maar nu, na het lezen van Michel Krielaars „brilletje van Tsjechov”, heb ik Anton Tsjechov gelezen. Een verademing! Geen vuistdikke roman, maar een bundel korte verhalen. Mini-romannetjes als het ware. Geen gemoraliseer zoals bij Tolstoj. En humor zelfs! Verrassend actueel ook, die verhalen van meer dan honderd jaar oud. Drie jaren, De dame met het hondje, In het ravijn en Over de liefde, waren mijn favorieten.

Ik vermoed dat het heeft geholpen dat ik Tsjechov een beetje kon plaatsen in de tijdsgeest door eerst het boek van Krielaars te lezen. Maar zelfs zonder die intro zou ik er van gehouden hebben; daar ben ik wel zeker van.

Lief leven – Alice Munro

De Canadese Alice Munro stond al een tijdje op mijn wish list. Toen ze in oktober de Nobelprijs Literatuur won, was dat een extra reden om er aan te beginnen. Met een geschenkbon van metekindje O. kocht ik mij een bundel. Doorgaans ontleen ik mijn boeken in de bib en ik heb geen klachten over de staat van de boeken daar, maar ik moet toegeven dat het plezant was eens een kakelvers exemplaar te mogen lezen! lief-leven

Munro dus, schrijfster van kortverhalen. Vreemd genoeg heb ik niet het gevoel kortverhalen gelezen te hebben: elk verhaal op zich is als een compacte roman. Hoewel maar plusminus dertig pagina’s lang, heb je als lezer toch het gevoel dat je de personages goed hebt leren kennen. Misschien komt dat ook door het tijdsgebruik: ze springt gemakkelijk van heden naar verleden en terug, ondanks het korte bestek van het verhaal.

Er lopen twee rode draden door de bundel: de hoofdpersonages zijn bijna zonder uitzondering vrouwen en het thema is de liefde. De verhalen zijn eenvoudig en heel leesbaar maar je moet er toch je hoofd bijhouden, want voor je het weet heb je een cruciale wending gemist, zoals in Amundsen, waar een trouwerij plots wordt afgeblazen, zonder dat ik het had zien aankomen. Er blijft veel ongezegd; zo heb ik het graag, dat je als lezer ook nog wat moet werken.

De laatste vier verhalen vormen een aparte eenheid, omdat ze “autobiografisch zijn wat gevoelens betreft”, zoals de schrijfster zelf aangeeft. De verhalen tonen dat het leven niet altijd even lief is geweest voor Munro, maar ze beklaagt zichzelf niet.

Ik ben niet naar huis gegaan vanwege mijn moeders laatste ziekte, noch voor haar begrafenis. Ik had twee kleine kinderen en niemand in Vancouver bij wie ik hen achter kon laten. We konden ons de reis nauwelijks veroorloven en mijn man verachtte formeel gedrag, maar waarom zou ik hem de schuld geven? Ik dacht er net zo over. Over sommige dingen zeggen we dat ze onvergeeflijk zijn, of dat we het onszelf nooit zullen vergeven. Maar we doen het wel, we doen het de hele tijd.

De dingen des levens, geschreven in een sobere taal, uitstekend verteld. Wie daarvan houdt, is bij Munro aan het goede adres.

Vleesetende verhalen – Bernard Quiriny

Bij wijze van tussendoortje las ik een boekje met 4 kortverhalen van Bernard Quiriny. De bundel is een uitgave in de Belgica-reeks, die volgens uitgever Voetnoot “een vrijplaats wil zijn voor kortere teksten en verhalen uit zowel de Vlaamse als de Franstalige Belgische literatuur”. De titel van het laatste deel uit de reeks maakte mij nieuwsgierig en zo nam ik het kleinood mee uit de bib.

vleesetende verhalen

Het zijn fantastische verhalen, in de zin dat ze een loopje nemen met de werkelijkheid. In het nawoord schrijft de vertaalster dat Quiriny “de woorden binnenstebuiten keert als handschoenen. Hij vertelde de ware geschiedenis van volkomen ingebeelde dingen.”

Dat omkeren van de werkelijkheid zit bijvoorbeeld in het verhaal “Imbrogliopolis”, waarin het hoofdpersonage op zoek gaat naar de sleutel om de taal van de Yapoes te te begrijpen. Die Yapoes – een fictieve indianenstam – blijken grapjassen die hun taal gebruiken om mekaar in verwarring te brengen in plaats van mekaar via woorden dingen duidelijk te maken.

Het laatste verhaal gaat over een botanicus die onderzoek doet naar vleesetende planten, het soort planten waarvan de assistent slim opmerkt dat er “zowel leven als dood door hun bladeren stroomt”.

De destructieve kracht van de plantenwereld had altijd al Latourelles levendige belangstelling gehad: dat een plant een paard kan vloeren door middel van de toxische stoffen die hij afscheidt, geef toe, het heeft iets angstwekkends en iets bewonderenswaardigs.

De professor ontdekt in Afrika reuzengrote venusvliegenvangers en brengt ze mee naar huis om ze te bestuderen en ze in de watten te leggen als waren het zijn kindjes. De dankbaarheid van de planten voor zijn goede zorgen is echter niet groot, want ze slagen er uiteindelijk in om hem op te peuzelen…

Quiriny trekt de werkelijkheid zo ver door, tot het absurd wordt. Maar hij doet dat op zo’n manier dat je als lezer helemaal meegaat in zijn fantasie. De verhalen zijn helder geschreven, eerder wetenschappelijk dan dichterlijk van toon, wat het gevoel geeft dat het  allemaal waar gebeurd is. Het is van een heel ander genre dan de kortverhalen van Bernard Dewulf in Kleine Dagen, maar deze mogen er ook wezen.

Kleine dagen – Bernard Dewulf

Kleine dagen is een verzameling kortverhalen van dichter/columnist Bernard Dewulf, stadsdichter van Antwerpen. Hij schrijft over (zijn) kinderen, over moeders en vrouwen,  over ouder worden, over zijn huis, over vaders, over zichzelf.

De verhalen zijn ontroerend, geestig en vol mededogen. Ze zijn heel herkenbaar (toch voor ouders van jonge kinderen) en gaan over alledaagse dingen, als de snoeppapiertjes die de ouders bij een opruimbeurt vinden in een hoekje achter het bed (“de restanten van geheime snoepreizen”),  over zijn vreugde wanneer hij vaststelt dat zijn zoon niet alleen strips maar ook “echte” boeken begint te lezen, over zijn ergernis wanneer zoonlief de zondag in leegheid spendeert. Sommige verhalen zijn echte kunstwerkjes, want zo poëtisch geschreven dat ze lezen als een gedicht. Dat bekent wel dat je best niet omringd wordt door je eigen onstuimige kroost tijdens het lezen, want anders ontgaat je veel.

Niet mijn eerste prioriteit wanneer ik een boek lees, maar toch: ook praktisch, die kortverhalen, om nog een verhaal te lezen voor het slapengaan of wanneer je zit te wachten op het einde van de pianoles van dochterlief.

Een paar korte fragmenten om u wat goesting te doen krijgen.

Wanneer hij naar zijn zoon kijkt, die haast geen plaats meer heeft in zijn eigen bed wegens een overvloed aan beren:

In de curve van zijn hals ligt Winnie de Poeh. Terug van weg geweest. Ineens weer lievelingsbeest. Links ligt Grote Beer, onder de arm die onderweg was. Grote Beer is hij het trouwst. Alle passies, elk gescharrel hebben zij doorstaan.

Grote Beer heeft een groot hart. Dat van opa, dat niet meer bestaat en toch trouwhartig naast hem ligt.

Rechts rust Kangoeroe. Tegen zijn rug. Wat hij in Kangoeroe ziet weet ik niet. Grote Beer is voor het leven, Kangoeroe voor het nachtleven. Zoiets. Het precieze verschil is een geheim waar ik niet naar vraag.

Zo ingebed, als een juweel in watten, ligt hij dus te slapen. Hij heeft zich in zijn afwezigheid verzekerd van liefde. Elke avond worden ze ritueel geschikt. Meestal in dezelfde verhoudingen. Soms kan Grote Beer zijn rug op. Dan hebben ze ruzie misschien.

De liefde van vader voor pretparken blijkt al even groot als de mijne, alleen krijg ik dat zo mooi niet gezegd.

Dagje pretpark. Zo heet dat. Niet praatpark of prietpraatpark of frietvraatpark, gewoon pretpark.

Dagje pretpark met dochter. Als vader. De andere leden van mijn vergaarde persoonlijkheid zijn streng toegesproken. Vooral de estheet. Dit is een pretpark, heb ik gezegd.

Over hoe hij op zijn vader begint te lijken en zijn eigen gelijkenis ziet in zijn zoon:

Het gebeurt meestal tussendoor. Dat men denkt: wat word ik met de jaren hém, die er al jaren niet meer is, en wat wordt hij met zijn weinige jaren al mij, die vertrouwde vreemde groeiende aanwezigheid in huis, de steppende benen die ik herken naast mij op straat. Hij lacht in mij door naar een oerlach, hij twijfelt mijn twijfel, hij vertoont tekenen die ik niet kan ontwijken, waar ik niet naast kan kijken.

Mijn favoriet is het kortverhaal over moeders en vrouwen en moeder-de-vrouw. Daar ga ik geen stukje uit knippen, dat zou zonde zijn, dat zoek je zelf maar eens op om integraal te lezen. Je kan ook gaan luisteren, want momenteel toert Dewulf door Vlaanderen om zijn verhalen voor te lezen, begeleid door muziek en videobeelden.  Misschien is dat leuk om te doen, maar het boek heeft wat mij betreft die omlijsting niet nodig.