Portugal, de bloem en de sikkel – J. Rentes de Carvalho

Portugal is de laatste jaren uitgegroeid tot het favoriete vakantieland hier ten huize. De wilde rotskusten in het Zuid-Westen, de Douro in het Noorden, de levada’s in Madeira, Lissabon, Coimbra, Guimaraes,… Elk jaar vinden we een andere reden om terug te gaan. Ter plekke iets lezen over de cultuur en de geschiedenis van het land maakt de reis alleen interessanter, vind ik. En ziedaar, de bib bediende mij op mijn wenken door Portugal, de bloem en de sikkel in hun etalage te zetten!

Rentes de Carvalho vertelt hierin de geschiedenis van Portugal, met een focus op de periode 1910-1975. Zijn voornaamste punt is dat de zo bejubelde Anjerrevolutie in 1974 – waarbij de fascistische dictatuur ten val is gekomen – in de feiten weinig heeft veranderd. coverrentesdef

De elites van nu zijn dezelfde als die van vroeger; er zijn een paar mensen bij gekomen, degenen die handig genoeg waren om te juister tijd op te klimmen en een post te bezetten; er zijn er een paar tijdelijk afgevallen, degenen die, in het buitenland, onbekommerd wachten op betere dagen die zeer zeker zullen komen. Net zoals in de oude Republiek van 1910 met haar vijfhonderd ministers, komt het er ook nu op aan minister te zijn, zich te verzekeren van de revenuen van morgen.

De auteur maakt op meedogenloze wijze komaf met de gekuiste versie van de vaderlandse geschiedenis die hij op de schoolbanken voorgeschoteld kreeg. Hij zet kanttekeningen bij het “Grote Portugese rijk” dat Portugal is geweest (“op zee een anarchie van roverij, te land een aaneenschakeling van bloedige plunderingen”). En hij plaatst het “bondgenootschap” met de Engelsen in perspectief:

Deze bondgenoten van ons, de oudste van alle die we gehad hebben, hadden al gauw door hoe profijt te trekken van die vriendschap, en men kan zeggen dat Portugal, vanaf de veertiende eeuw tot vrij kort geleden, afhankelijk is geweest van Groot-Brittanië, waaraan het alle voordelen van een kolonie heeft geboden en geen enkele van de bijbehorende strubbelingen.

De Carvalho toont aan dat zowel de koningen als de latere fascistische dictators het land in een diepe crisis brachten en de bevolking maar twee keuzes lieten: honger lijden of emigreren. Hij maakt ook pijnlijk duidelijk dat de katholieke kerk steeds een trouwe bondgenoot was van de heersende elite en zo die jarenlange crisis mee mogelijk maakte.

De toon van de Carvalho is vlijmscherp en cynisch, maar naar mijn aanvoelen rechtvaardig. Ik vond het heerlijk om te lezen. Het enige wat mij speet, is dat de geschiedschrijving stopt in 1975 (het boek dateert uit dat jaar). In het nawoord trekt Arie Pos de geschiedenis wel door tot vandaag. Maar helaas heeft hij weinig goed nieuws:

Ook de laatste jaren verlaten weer vele tienduizenden Portugezen het land waar ze geboren zijn en dat hun geen menswaardig bestaan kan bieden. (…) Steeds opnieuw zijn het de bestuurlijke elites met hun clansolidariteit die het land door hun spilzucht ten gunste van politieke vriendjes en hun onverantwoordelijk bestuur op de rand van het bankroet brengen.

Een aanrader voor de liefhebbers van geschiedenis en/of Portugal. Het boek verscheen pas in 2014 voor het eerst in een Portugese vertaling. Dat toont aan dat de inhoud lange tijd moeilijk te verteren was voor een aantal mensen, maar ook dat het boek actueel is en vandaag nog steeds de moeite waard om te lezen.

De renner – Tim Krabbé

1001004011218440“De renner” is het verslag van een wielerwedstrijd: de Ronde van de Mont Aigoual. Het is geen verslag zoals je in de krant leest, geschreven door een journalist die de wedstrijd van aan de zijlijn heeft gezien. Tim Krabbé rijdt zelf mee en laat ons in zijn hoofd kijken.

Dat levert een heel interessant perspectief op. Je weet niet alleen wie wanneer demarreert, maar je voelt ook de angst in de afdaling, de pijn wanneer de achtervolging ingezet wordt, de regen die doorweekt. Je kan het psychologisch spel dat zo’n koers is, van op de eerste rij volgen. De dromen als ze meestrijden voor de winst en de wanhoop als het de verkeerde kant uitgaat.

Je bewustzijn is klein op een fiets. Hoe zwaarder de inspanning, hoe kleiner. Iedere beginnende gedachte is meteen helemaal waar, iedere onverwachte gebeurtenis is iets wat je altijd al geweten had maar even vergeten was. Een doorhamerende zin uit een liedje, een steeds opnieuw begonnen deelsom, een uitvergrote boosheid op iemand is voldoende om je gedachten te vullen.

Het relaas is doorspekt met anekdotes uit vroegere wedstrijden van Krabbé en straffe verhalen uit de wielergeschiedenis. Krabbé kijkt met heimwee terug naar de tijd waarin wielrennen een heroïsche strijd was, op gammele fietsen en over slechte wegen:

Ach, had ik toen renner mogen zijn. Want al het lijden verandert na de eindstreep in een herinnering aan genot, en hoe groter het lijden is geweest, hoe meer genot. Dat is de wederdienst van de natuur aan de renners voor de hommage die ze haar brengen door te lijden. Fluwelen kussens, safariparken, zonnebrillen, de mensen zijn wollen muizen geworden. Ze hebben nog steeds de lichamen waarmee ze vijf dagen en vier nachten door een sneeuwwoestijn  kunnen lopen, zonder voedsel, maar ze laten zich schouderklopjes geven als ze een fietstochtje van een uur gemaakt hebben. “Goed van jou.” In plaats van zich erkentelijk te tonen voor de regen door nat te worden lopen de mensen met paraplu’s. De natuur is een oude dame met weinig aanbidders meer, wie nog van haar charmes gebruik wil maken, die beloont zij hartstochtelijk.

Daarom zijn er renners.

Lijden heb je nodig. Literatuur is een uitwas.

Krabbé mag dan een subtopper gebleven zijn als wielrenner, als schrijver fietst hij moeiteloos met de kopgroep mee. Misschien moet je een voorliefde hebben voor het wielrennen om dit boekje helemaal te smaken, maar toch denk ik dat iedereen die van sport én literatuur houdt, hiervan kan genieten.

Blijven ademhalen – Hedi de Vree

Ondertussen heb ik al anderhalf jaar de yogamicrobe te pakken. Toen ik dit boekje over yoga zag liggen in de bib, was ik in eerste instantie niet geneigd om het mee te nemen. De ondertitel – “Wat yoga mij over liefde, verdriet en het leven leerde” – deed me vrezen voor een zweverig relaas over herwonnen levensvreugd. Maar mijn nieuwsgierigheid won het uiteindelijk van mijn achterdocht. Wie weet vielen er dingen te rapen die ik zelf nog niet had ontdekt.blijven ademhalen

Elk hoofdstuk in het boek is als het ware een les die de auteur heeft geleerd. Zo vertelt ze hoe ze minder angstig is geworden door de oefeningen op haar mat. Dat op je ademhaling letten er niet alleen voor zorgt dat je een lastige yogapose kan aanhouden, maar je ook door lastige momenten in het dagelijkse leven kan loodsen. Dat jezelf observeren – op een niet veroordelende manier – een beter mens van je kan maken. Die boodschap verweeft ze met haar eigen verhaal. En daar wringt het schoentje voor mij.

Ze vertelt open en oprecht over wat haar overkomt (mama overleden, hobbelig huwelijksparcours, …), maar ze doet dat behoorlijk langdradig. Daardoor ging de boodschap helemaal verloren. Bij het derde hoofdstuk heb ik het voor bekeken gehouden. Als ik u een advies mag geven: spring liever zelf op uw mat om te ontdekken waarvoor yoga goed is, in plaats van dit boekje te lezen.

Dat je maar twee vierkante meter en één plastieken mat nodig hebt om jezelf flexibeler en krachtiger te maken, vind ik alvast fantastisch. Er zijn genoeg verschillende oefeningen om je spieren, je evenwicht en je ruggengraat te blijven uitdagen. En als je zelf niet veel inspiratie hebt, zijn er filmpjes op Youtube om te helpen. Mijn favoriete gids is Adriene, van YogaWithAdriene: een Texaanse die yoga beoefent met veel humor en zelfrelativering. Give it a try, zou ik zeggen.

 

Het meisje in de trein – Paula Hawkins

U vraagt zich af hoe ik erbij kom om dit boek te lezen. Meestal hou ik me immers ver van “bestsellers”. Wel, ik was een beetje wanhopig. Ik stond in de Standaardboekhandel en daags nadien gingen we op weekend. Er moest nog een valies gemaakt worden, veel tijd om te kiezen was er niet. Het boek dat ik wou, hadden ze niet. Zonder leesvoer vertrekken is nooit een optie, dus ging ik maar voor het gehypte “meisje in de trein”. hawkins-meisje-in-de-trein

Het verhaal gaat als volgt (no worries, ik ga de plot niet verklappen). Rachel neemt elke dag de trein naar Londen. Ze kijkt naar de huizen langs het spoor en in het bijzonder naar een huis in de buurt van een wissel, waar de trein altijd even stopt. Ze fantaseert over het leven van de bewoners en geeft hen zelfs een naam: Jason en Jess. Op een dag blijkt “Jess” verdwenen. Rachel denkt een nuttige getuigenis te kunnen leveren en stapt daarmee naar de politie.

Afwisselend vertellen Rachel, Megan (“Jess” in Rachels verbeelding) en Anna (de nieuwe echtgenote van Rachel’s ex-man) een deel van het verhaal. Als in een dagboek, geven ze tweemaal daags een update van hun activiteiten. Rachel is wat men met een “onbetrouwbare verteller” noemt: een verteller waarvan je niet alles van moet geloven, in dit geval omdat ze aan alcohol verslaafd is.

Aan bladzijde 80 heb ik gedacht het boek bij het oud papier te kieperen. Slaapverwekkend en deprimerend vond ik het. Maar aangezien ik geen ander leesvoer had en ook wel omdat ik het zonde vind om een gekocht boek niet uit te lezen, heb ik maar verder gelezen. De eerste 150 pagina’s kan ik kort voor u samenvatten: “Rachel heeft iets gezien de avond dat Jess/Megan verdween, maar ze weet niet meer wat, want ze was lazarus”. Vanaf pagina 150 begint er een beetje vaart in het verhaal te komen, maar beter dan middelmatig wordt deze thriller niet.

Een liefhebber van het genre ben ik niet. Misschien kleurt dat mijn oordeel. Fouten heb ik in deze detective niet kunnen vinden, dat is een pluspunt. Maar schoonheid heb ik er helaas ook niet in gevonden.

De levenden herstellen – Maylis de Kerangal

De achterflap van deze roman vertelt meteen het hele verhaal: Simon Limbres, een sportieve jongeman, gaat op een ijskoude winterdag om 6u ’s ochtends surfen. Minder dan 24u later is zijn hart ingebouwd in het lichaam van een 51-jarige vrouw met een hartkwaal. Ziedaar de naakte feiten. de levenden herstellen

Alle betrokkenen in het verhaal, komen één voor één aan bod: Simon zelf, zijn ouders, zijn zusje, artsen en verplegers, de vrouw die Simon’s hart ontvangt, haar kinderen, … Hartverscheurend is het (uiteraard), maar al die betrokken komen zonder melodrama aan het woord. Een stroom van woorden soms: heel lange zinnen, met veel wetenschappelijke termen, maar in een magnifieke taal, bijna poëtisch. Dat contrast tussen de bondigheid van de wetenschappelijke taal van de genezers en de beeldrijke taal van de roman vond ik heel schoon.

… hij gebruikt een taal die ze gemeen hebben, een taal die wijdlopigheid uitbant als tijdverlies, die welsprekendheid en de verleiding van woorden veroordeelt, die overmatig gebruikmaakt van werkwoordloze zinnen, codes en afkortingen, een taal waar spreken in de eerste plaats beschrijven betekent, oftewel een lichaam documenteren, de parameters van een situatie verzamelen, zodat er een diagnose kan worden gesteld, onderzoeken kunnen worden aangevraagd, zodat er wordt gepleegd en gered: de macht van de beknoptheid.

Onvermijdelijk komen ook de ethische issues aan bod. In een land waar elke burger potentiële ontvanger van een donororgaan is, lijkt het mij het niet meer dan logisch dat elke burger ook potentiële donor is. Maar hoe vreselijk moet het zijn om eerst geconfronteerd te worden met de dood van een geliefde en dan nog te moeten toestaan dat ze zijn of haar lichaam leegplunderen. Komt daar nog bij dat de familie niet te veel mag dralen met de beslissing, want dat komt de kwaliteit van de donororganen niet ten goede.

… voor Thomas Rémige was een duidelijke weigering beter dan een instemming die vol verwarring is bevochten, met veel moeite verkregen, en veertien dagen later betreurd door personen die worden geteisterd door wroeging, die niet meer kunnen slapen en wegzinken in verdriet; denken aan de levenden, zei hij vaak, dat moet eerst, kauwend op de punt van een lucifertje, denken aan degenen die blijven…

Zo komen we bij de betekenis van de titel van het boek: de doden begraven is één (aartsmoeilijk) ding, maar de levenden herstellen, dat is een ander paar mouwen.

Ik vond deze roman heel aangrijpend, en tegelijk van hoog literair niveau. Een aanrader wat mij betreft.

De onderwaterzwemmer – P.F. Thomése

Tweede wereldoorlog, het laatste jaar van de oorlog. Martin en zijn vader zwemmen ’s nachts een rivier over voor een verzetsopdracht. Het is de eerste keer dat “Tin”- een tiener nog – mee mag voor een opdracht. Besmeerd met vet tegen de kou, zwemmen ze naar de overkant. Aan de overkant blijkt Martin’s vader spoorloos. De jongen wacht en zoekt uren, en gaat tenslotte naar het dorp voor hulp. Uiteindelijk moet hij terug naar de overkant, zonder zijn vader. Daar moet hij het verdriet en de verwijten van zijn moeder trotseren. Het levert hem een levenslang schuldgevoel op.

Dertig jaar later is Martin met zijn echtgenote Vic op reis in Afrika. Doel van de reis is hun Foster parents-kind te bezoeken, de albino Salif (eigenlijk het Foster Parents kindje van de school waar Vic werkt). Het is dik tegen zijn zin dat Martin zijn vrouw is gevolgd naar Afrika. Hij heeft het gevoel dat ze hun dochter Nikki in de steek te laten. In Afrika laten ze zich zonder veel nadenken op sleeptouw nemen door een jonge betweterige Fransman, Jean-Claude, en zijn volgzame echtgenote. Martin voelt aan dat het misschien niet wijs is om dat te doen, maar ook nu protesteert hij niet. De onderwaterzwemmer

Hij beseft dat hij lijdt aan de denkfout van onzekere mensen, die ervan uitgaan dat anderen wél weten wat ze doen en daarom liever op anderen vertrouwen dan op zichzelf.

Daar, op hun tocht naar het binnenland van Afrika komt Martin zijn verleden weer tegen.

En nu, hier, in dit verzonnen land zonder plaatsnamen, verder weg dan ooit, is hij er weer – in heel zijn afwezigheid. Hij mist hem alsof het hier, op deze rivier, is gebeurd. Alsof hij zich maar hoeft onder te dompelen om hem te vinden. Hier, waar ze zelf nooit waren. Niet dat hij het begrijpt. Niet het overweldigende van het verlies, maar de futiliteit ervan. Je kijkt, je kijkt nog een keer, en er is niets. Nooit geweest ook. De nacht valt en als het ochtend wordt, heeft het nooit bestaan. Flikkering van zonlicht op water.

De twee koppels en hun Afrikaanse begeleiders zetten hun tocht naar het binnenland voort, naar het dorp van Salif. Daar neemt het verhaal opnieuw een noodlottige wending. De gebeurtenissen die zich afspelen, vond ik soms wat vergezocht, maar zoals Thomése schrijft over loslaten, over verlies en over wat het betekent voor de achterblijvers: prachtig vond ik dat.

Nog eens dertig jaar later, met een gebroken rug en bijna alleen op de wereld, blikt Martin terug op zijn leven.

Je hele leven ben je bezig om iets te verliezen wat je nooit hebt bezeten. Waarom zou je je daar dan op het laatst ineens druk over gaan liggen maken? Je had het immers toch al nooit. De nabijheid is alles wat je vergund geweest is. Je bent een tijdje nabij geweest, dat noem je liefde, of geluk, en daarna ben je weer alleen. Overigens, wie zegt dat die nabijheid niet juist in het sterven terug te vinden zal zijn? Amor fati. Dichter bij het verborgene kun je niet komen.

Het einde van het boek is niet donker, maar eerder hoopvol. Zelfs voor iemand die zo veel afscheid heeft moeten nemen, is er troost, lijkt de auteur ons te zeggen. Een topboek, deze Onderwaterzwemmer van Thomése.

Pauze

Bitter weinig heb ik gelezen, de voorbije maanden. BoostZo weinig dat ik het terug gewoon moet worden om mij met een boek in de zetel te zetten, nu het vakantie is. Hoe het komt, dat ik minder lees? Tja, door een boek eigenlijk. Een tijd geleden las ik Boost, van Goedele Leyssen. Zij schrijft zo enthousiast over yoga, dat ik er ook aan begonnen ben. Ondertussen voel ik mij al ongemakkelijk als ik een paar dagen mijn yogamat niet heb gezien. En het eerste slachtoffer daarvan is mijn leestijd…

In april las ik wel De mooie voedselmachine, waarin Giulia Enders ons verteringsstelsel van naaldje tot draadje uit de doeken doet. Geen boek om op mijn blog te bespreken, vond ik zo. Maar ik kan het wel ten zeerste aanbevelen: het boek is speels en leerrijk, een ontdekkingsreis door uw darm, als het ware.

Op een verloren zondag las ik ook nog Verbroken beloftes van Jenny Offill. Het is een boek over het moederschap, over het huwelijk en over het met moeite bij elkaar houden van dat huwelijk. De Standaard Letteren had het aangekondigd als “een experiment van verpletterende schoonheid”.

verbroken beloftes offillZelf vond ik het niet slecht, maar verpletterend zou ik het niet durven noemen. Ik denk dat het vooral de opsommerige stijl was, die me stoorde. Een verzameling van gebeurtenissen, gedachten en citaten, telkens gescheiden door een witregel. In het interview in de standaard vertelt de auteur dat het boek met opzet fragmentarisch is geschreven, omdat het leven van een moeder dat ook is. Maar als ik mij als moeder ’s avonds in de zetel zet met een boek – kindjes in bed – dan lees ik toch liever een vlotte tekst.

Herkenbaar en ontroerend, dat wel, maar geen boek waar je je kan in ingraven. Voor mij een beetje een teleurstelling dus…